|

|
|
GOE-HANDEN
DIE ...
Goê-handen
die de mijne waren,
Kleine
zo zeer en zo zeer zachte,
Na
wat felle dwalingen brachten
En
al die heidense gevaren,
Na
reden en stranden en stromen,
Landen
en steden, dorpen, weiden,
Prinslijker
dan in prinse-tijden,
Goê-handen
oopnen mij mijn dromen.
Droomhanden,
hande' op mijn zielswezen,
Weet
ik, ach, wat gij woudt gedogen
Te
zeggen, in die luide logen,
Tot
dees ziel, mij bezwijmd ontrezen?
Kan
mijn kuis weten mij misleiden
Van
het verwante samenvoelen,
Deelnemend
moederlijk bedoelen,
Hechte
genegenheid en wijde?
Dierbaar
berouw en treurenis,
Bepeinzen
zoet, handen gewijde,
Deze
- háár - handen, o geeft mij de
Tekenen
van vergiffenis.
Victor
van Vriesland, 1929
|

|
|