|

|
|
P.V.
Hij
had het hooge
Voorhoofd
heel bleek, geboogd, had recht geloken
Donkere
oogstreep, en jongensneusje, en proefmond die gedoken
In
hangsnor, kin in haar, schuin, dat te strooken
De
hand ging, latjes-hand, leedjes, gebroken
Leek
't, nu gezet, zoo 't been, strak voor 'm uitgestoken,
-
Zat hij niet zoo?
Bleek
van d'emotie dat, vreemd dier, verstoken
Voor
mensche' altijd, die 'm jaagde' en in een hok
Sloten,
schand' voor altijd, nu zijn gesproken
Woord
hij zou hooren doen, hooren en hopen
Liefde
van menschen, die hun ooren open
Zetten
voor hém: las zóo, tonen gebroken,
Orglend
hervoor, ál-door, uit dat gedoken
Hoofd:
álmaar bleef de ooglijn geloken,
Beefde
kinder-hand.
Tot
groeid', tumultueus, 't schoon, bleek, 't gewroken
Hoofd
om, handklappe', absolutie volsproken -
Lachten,
schreiden, d'oogen, opengeloken?
Albert
Verwey, 1892
|

|
|