P.V.

Hij had het hooge
Voorhoofd heel bleek, geboogd, had recht geloken
Donkere oogstreep, en jongensneusje, en proefmond die gedoken
In hangsnor, kin in haar, schuin, dat te strooken
De hand ging, latjes-hand, leedjes, gebroken
Leek 't, nu gezet, zoo 't been, strak voor 'm uitgestoken,
- Zat hij niet zoo?
Bleek van d'emotie dat, vreemd dier, verstoken
Voor mensche' altijd, die 'm jaagde' en in een hok
Sloten, schand' voor altijd, nu zijn gesproken
Woord hij zou hooren doen, hooren en hopen
Liefde van menschen, die hun ooren open
Zetten voor hém: las zóo, tonen gebroken,
Orglend hervoor, ál-door, uit dat gedoken
Hoofd: álmaar bleef de ooglijn geloken,
Beefde kinder-hand.
Tot groeid', tumultueus, 't schoon, bleek, 't gewroken
Hoofd om, handklappe', absolutie volsproken -
Lachten, schreiden, d'oogen, opengeloken?

 

Albert Verwey, 1892

 


PAUL VERLAINE Ý

1.

Men mocht wel willen in donzen woorden
van hem te hooren, nu hij pas
dood is en wat zijn leven was
voor 't eerste stil gaat worden; stoorden

nu woorden niet in zijn beginnen
der vredigheid hem toegebracht
en in den schuwen ernst betracht
door ons, die ons willen bezinnen

over het sidderende, dat wij vonden
in ons; zóó het opeens lag neer
in donker, lijden van een zeer
verborgen iets en zeer geschonden.

2.

Hoe zoet gesloten, toegesloten
en goed geborgen in donkernis
buiten, waar lente komende is
met regen onder de lucht de bloote

een man, die heeft zijn afgewende
leven stil voor zich heen gevoerd,
een povere maar een ontroerd
teedere en hij in zijn ellende

was tot den eenigen zin gekomen
des levens: dat wij wezen zouden
verscholen, in geduld gehouden
en wegverloren, zóó eerst vromen.

Een wijze - en om den doode is veel
van zoetheid en mijmering gebleven
en het bemoeien en dóórleven
der menschen heeft aan hem geen deel.

 

J.H. Leopold, januari 1896

 


AAN PAUL VERLAINE


Ik heb, als gij, verwijld in 't slot van avondrood
En in dien toren, waar van sluimer-witte muren
Een huivere uchtend klaart. Ik mat des levens uren
Alleen aan d'eigen hartslag, en mijn dag vervlood

Van stilte in leeger stilte. Slechts de Dood ontsloot
En sloot mijn eenzaamheid, de dienaar, die zijn duren
En strengen plicht volbracht, en zwijgend me aan bleef turen,
Terwijl ik zwijgend nam en at, wat hij me bood.

En waar ik asch gegeten heb en tranen dronk,
Hoorde ik de Stem, die u eens riep uit uwe pijnen,
En wist niet of uw pijnen of de mijne schreiden.

Maar schaamle woorden kwamen - vreemd en schuw - omschijnen
De Stem die, sprakeloos, blijft spreken door de tijden,
Uw woord, dat schreien blijft, waar het in Licht verklonk.

 

Marie Koenen, 1916

 


LITERATUUR-LES


Verlaine heeft slecht geleefd
en was heel dikwijls dronken.
Hij had een lelijk gezicht,
ons heeft hij gedichten geschonken.

Het mooiste is "Sagesse",
dat schreef hij in staat van genade.
Van de rest deugt niet veel,
toen was hij met zonden beladen.

O, Paul, o, Verlaine,
Ik kots van de poëzie,
Geef mij La Fontaine
que j'aime à la folie.

 

Mien Proost, 1929

 


BALLADE


Verlaine sleepte voort zijn lijdensketen
Van zonde aan straf geschakeld zonder slot,
Heeft den hem toegewezen tijd gesleten
In beurtgezang van lust en zucht naar God.
In de gevangenis, bij 't stomp verkwijnen
In 't dranklokaal, of op een kil terras,
Voelde hij als wroeging vol verwondring schrijnen
Waarom voor hem geen plaats op aarde was.

 

J. Slauerhoff, 1930

 


VERLAINE STERFT


Een kamer, een tafel, een bed,
grillige bloemen van ijs
waaieren wit aan het raam -
de nacht staat over Parijs.

Een oud man weet zich alleen,
geen hand die de zijne vindt;
zelfs niet eens de goede troost
van een enkel glas absinth.

De muren zijn verveloos
in het armzalig vertrek,
waar ik, denkt Paul Verlaine,
alleen, als een hond verrek.

Hij sluit de oogen vermoeid -
Mathilde, prèsqu'enfant,
Rimbaud, démon et ange,
Lucien, fort et brillant,

Philomène et Eugénie -
ne pensez qu'à vos amours -
een leven weerloos zwalkend
tusschen kind en hoer.

Een kamer, een tafel, een bed,
bloemenwaaiers van ijs -
zoo crepeerde Paul Verlaine,
rue Descartes, Parijs.

 

Jan R.Th. Campert, 1934

 


VERLAINE


De wereldwijzen zijn de onwijsten,
De onnoozle flinken, die vanzelf
Zich wringen in de krapste lijsten,
Zich krommen onder elk gewelf.

Wat geeft het lot aan de gedweesten,
De dienenden mèt heug en meug?
Een vorm, gebootst op geijkte leesten,
Een zure bete, een muffe teug.

De wereld is een sluw belover,
Een bieder vol arglistigheid.
Maar slaat gij toe - gij houdt niets over,
Gij zijt èn koop èn koopsom kwijt.

Waarom dan 't hart te laten derven,
Den weg langs naar het eind der reis,
En niet gelijk Verlaine sterven:
Dichter en dronken, vuil en wijs.

 

J.C. Bloem, 1938