|

|
Tussen I920 en
I940
Rond 1892 was Verlaine
het symbool geweest van een kentering in de Nederlandse
kunst: op de extase van Tachtig volgde een periode van
bezinning. Wagner en Verlaine waren de namen die men
associeerde met de meer spiritueel gerichte kunst die werd
gezocht.
Op
de poëzie zelf heeft Verlaine nauwelijks invloed
uitgeoefend. Indien men in sommige gedichten een sfeer
bespeurt die aan Verlaine herinnert, dan zijn die gedichten
ironisch genoeg te vinden in de bundels van dichters die
zich in socialistische richting zouden bewegen. Ik denk aan
de melancholiek-sensitieve verzen van Herman Gorter, of aan
gedichten van Adama van Scheltema waarin zo dikwijls een
muziek van regen treurt die de toonsoort van Verlaine heeft.
Maar naar mijn gevoel was het vooral Karel van de Woestijne,
een dichter die in zijn psychologische figuur al even
complex was als Verlaine, die erin is geslaagd een
Nederlandse taalmuziek te scheppen die naast die van zijn
Parijse collega geplaatst kan worden.
In
de jaren die volgden raakte het werk van Verlaine uit de
belangstelling. Alleen in het katholieke kamp bleef men zich
tot de dichter wenden. De waardering verengde zich tot een
enkel aspect van dat dichterschap. Een typerend voorbeeld.
In een opstel dat M.A.P.C. Poelhekke in zijn bundel Modernen
(1899 - en de term 'modern' heeft hier een negatieve
betekenis) opnam, is Verlaine beschreven als de bekeerde
dichter in de gevangenis van Mons, als de vrome en
dogmatische mens - een man die boete deed en zijn biecht
neerschreef.
Buiten
de katholieke kring van schrijvers en critici was een heel
andere ontwikkeling gaande. Verlaine was een krachtige
invloed gaan uitoefenen. Die invloed is niet manifest in
directe verwijzingen (afgezien van een beperkt aantal
vertalingen en daarnaast gedichten van onder andere Anthonie
Donker, Slauerhoff, Jan Campert en Bloem, die aan Verlaine
gewijd zijn). Maar de dichter van de 'feuilles mortes'
schijnt in het geestelijk klimaat van die jaren in Nederland
een bron van inspiratie te zijn geweest. Een willekeurige
greep uit titels van gedichten uit die periode toont de
'présence' van Verlaine. Herman van de Bergh: 'En
sourdine', 'Nocturne'; C.J. Kelk: 'Pierrot'; Vestdijk:
'Berceuse', 'Feuilles mortes', enzovoort. De invloed van
Verlaine op de jonge Slauerhoff zou een afzonderlijke studie
verdienen (de dichter is de 'Rimbaud van Leeuwarden' genoemd
- een aardige maar onjuiste aanduiding: in de vroege bundels
gedichten is het Verlaine, niet Rimbaud, die naar voren
treedt).
Het
was vooral de toon van de Fêtes galantes (1869) die
door Slauerhoff en de dichters van zijn generatie werd
gewaardeerd. De sfeer die uit die bundel van Verlaine
spreekt, is hoofs en elegant, melancholiek en muzikaal. De
gedichten wijzen terug naar het tijdperk van de achttiende
eeuw. In die verzen staat de dichter als een peinzende
toeschouwer in de wereld van de commedia dell'arte. Deze
poëzie bezit nog niet de subjectiviteit van het latere
werk, het is een sterk atmosferische kunst. Het laatste
gedicht van de bundel vormt naar mijn gevoel een hoogtepunt.
De 'Colloque sentimental' (vertaald door zowel Slauerhoff
als Keuls) is een wanhopige tweespraak tussen een man en een
vrouw die liefde en hoop hebben verloren - de natuur is de
onverschillige getuige. Debussy heeft aan dit gedicht met
zijn toonzetting een extra dimensie toegevoegd (Fauré
en Debussy waren de meesters onder de talrijke componisten
die de gedichten van Verlaine verklankt hebben).
Een
opmerking terzijde. Er is wel gesuggereerd dat het
muziekgedicht in de Nederlandse literatuur niet bestaan zou
hebben. Dat is onzin. Juist in de jaren 1920 -1940
verschenen er talrijke gedichten die aan de muziek, de
muzikant of aan een specifieke componist waren gewijd. Het
lijkt mij niet toevallig dat die voorkeur voor muziek
samenvalt met een periode van hoge waardering voor het werk
van Verlaine.
De
gedichten van de Fètes galantes roepen de galante
wereld van Watteau op, ze zijn zuiver en breekbaar als
fijngeslepen glas, nostalgisch en weemoedig, en van een lome
sensualiteit. Zie hoe zelfs een dichter als Theun de Vries
door de sfeervolle klanken van die muziek werd bekoord. Zijn
gedicht 'Jardin galant' verscheen in De Stem (1929,
p.749):
Het klein verschiet
verzinkt omwolkt.
Zwaarmoedigheid: muziek in regen.
De wind drijft ons de schimmen tegen
waarmee het nachtpark is bevolkt.
De geuren werden oud en
loom
en onherstelbaar de verliezen;
niets roept madame la marquise
terug naar den galanten droom;
de zwanen en rozen
dreven
ten onder in het vijverwak.
Maar nog leeft het verleden zwak
en wil zich niet gewonnen geven:
het regent en men hoort
daartusschen
op 't marmer 's nachts de tengre tred
van een onzichtbaar menuet,
en lange, machtelooze kussen.
Over de poëzie van
die jaren hangt de geur van een Franse keuken. Het is een
aspect dat in de kritiek naar mijn gevoel niet genoeg is
benadrukt. Daarom wil ik mijn stelling dat de aanwezigheid
van Verlaine juist in die jaren het sterkst tot uitdrukking
komt met een tweede gedicht ondersteunen. Dit gedicht van
Johan de Molenaar (auteur ook van een aantal fraaie
muziekgedichten) verscheen in de tweede jaargang van dat
voortreffelijke tijdschrift Helicon (1932) en is getiteld:
'Fête galante' (!!). Hier citeer ik de herziene versie
opgenomen in de bundel Kleine suite (1964, p.17):
In het vervallen
tuinprieel
klinkt een betov'rend fijn gespeel:
het oude Franse menuet,
slanklijnig als een minaret.
Een wonder van
bevalligheid,
als een veredeld kweekgewas
dit broze restje van een tijd
toen 't leven nog romantisch was.
Een jong comtesje,
sierlijk schoon
gekleed in crinoliengewaad,
heeft eens geluisterd naar dit toon-
geparel met ontroerd gelaat,
gezeten naast het
clavecin,
waaruit met rinkelfijn geruis
een geestig stuk van Couperin
klonk door het hoge stille huis.
En toen die 't speelde
heimlijk deed
zijn blikken glijden langs haar kleed,
steeg in haar wangen fel de schaam-
t'als stille bloei van een cyclaam.
Alle ingrediënten
die ik karakteristiek noemde voor de 'fêtes galantes'
van Verlaine zijn aanwezig: nostalgie, muziek, sensualiteit.
Het blijft opmerkelijk hoezeer het verlangen naar een tijd
en een Franse cultuur die schoon geweest waren maar voorbij,
voorgoed voorbij waren, de Nederlandse poëzie van de
jaren dertig doordrong.
Belangrijk
ook voor de poëzie van die jaren was het beeld van het
kunstenaarschap dat Verlaine had opgeroepen. Zijn notie van
de 'poète maudit' vond wijde weerklank. Waar men in
katholieke kringen Verlaine bleef beschouwen als de bekeerde
vrome ziel (men leze er de jaargangen van het tijdschrift
Roeping op na), daar bouwden meer vooraanstaande dichters
van het tijdvak een beeld op van Verlaine - van de
kunstenaar in het algemeen - als de gehoonde in de
samenleving, als de vertrapte, de vagebond. De dichter werd
gezien als de melancholieke zanger, weerloos in een hem
vijandige wereld waar men geen lied wenst, maar orde en
regelmaat en een goed pensioen.
In
de in toenemende mate duistere en intolerante wereld van de
jaren dertig, een wereld waarin een brute en gelaarsde
overtuigingspolitiek de wijsheid vertrapte, daar vond de
poëzie nog slechts gehoor onder afzijdigen en
vervreemden. In een atmosfeer waarin de daad wordt gesteld
boven het woord en de bezinning, daar weet de kunstenaar
zich verstoten. Hij plaatst zichzelf buiten of tegenover de
tijd. Verlaines beeld van de verdoemde dichter kreeg in de
jaren dertig een nieuwe urgentie. In de Nederlandse
poëzie verschijnt de kunstenaar steeds weer als
balling, als zwerver, als outcast. Men denkt aan Slauerhoffs
woningloze, aan Nijhoffs vervloekte (voor de jonge Nijhoff
was Verlaine een dichter in wie hij zichzelf herkende).
De
dichters in die periode waardeerden het krachtig
antiburgerlijke aspect van Verlaines poëzie. Waar men
rond 1890 Verlaine als mysticus vereerde, daar toonden de
dichters van de jaren 1920 -1940 geen enkele belangstelling
voor de biecht - zij stelden het geestelijk ballingschap van
de dichter boven zijn bekering. Het was de Verlaine uit het
ondergrondse die zij begroetten, muzikaal, nostalgisch,
zwaarmoedig, sensueel, maar altijd: dichter.
|

|
|